Home Contact PETRUS DATHEEN STICHTING

Parel van Christelijke Vertroosting

Dit artikel is verschenen in DRS 2007 - 2 en geschreven door Geschreven door M.M.(Chiel) Natzijl.

Petrus Dathenus (1532 –1588) was gereformeerd predikant, werkzaam in de gereformeerde gemeente van Frankenthal (bij Frankfurt) en hofprediker van Frederik III van de Palts. In de jaren 1566-1567, 1572-1574, 1578, en 1583-1584 was hij actief in de Nederlanden. Hij geniet nog altijd bekendheid om zijn berijming van de psalmen in het Nederlands en als vertaler van de Heidelbergse Catechismus.

Hij schrijft in ‘Parel van Christelijke Vertroosting’ het volgende:
‘De Heilige Schrift, alle kerkelijke geschiedenissen en dagelijkse ervaringen betuigen zeer overvloedig dat Gods kinderen aan velerlei kruis en aanvechting in deze wereld onderworpen zijn. Maar geen uitwendig kruis kan vergeleken worden met de inwendige strijd, waarin de gelovige mens zich gestadig bevindt. Hij gevoelt de zonde, hij smaakt de vloek van de Wet en de toorn van God en ziet de hel open. Hij voelt zich beroofd van alle hoop op genade en zaligheid en van de kracht van de Heilige Geest om God te kunnen aanbidden en te kunnen aanroepen.
Het is voor Gods kinderen soms nuttig en nodig om aangevochten te worden en in het diepste der hel geworpen te worden, opdat zij zich niet verheffen, maar onder Gods krachtige hand zich verootmoedigen, aanhouden met bidden en met aangevochtenen medelijden hebben.
God eist in Zijn Wet van ons wat wij niet doen kunnen, om zo Zijn recht op ons te laten blijken en om ons te overtuigen van onze schuld, opdat wij die schuld, armoede en onmacht gevoelen en belijden, daaronder ons buigen en verootmoedigen en Hem smeken om vergeving. En dat wij daarna door een vast geloof en hartelijk vertrouwen Hem aannemen en ons toe-eigenen, Die onze schuld op Zich heeft genomen en volkomen heeft betaald.
Het Evangelie verkondigt ons dat God arme zondaren wil genadig zijn en hun zonden geheel wil vergeven en vergeten, ja dat Hij ze om Christus’ wil voor heilig en rechtvaardig wil houden, en dat uit louter genade, zonder toedoen van enige werken, alleen door het geloof. Dit is dus bedoeld om u te troosten door het geloof in Jezus Christus en om door Evangelische beloften de onrust van uw geweten te stillen. En voelt gij dan dat uw zonden meer zijn dan de haren van uw hoofd, zo zult gij u hierdoor niet laten brengen tot moedeloosheid, maar het zal u dienen als een tuchtmeester om tot Christus te gaan en om door het geloof in Hem te zoeken, te vinden en u toe te eigenen al wat de Wet van u eist en wat u nodig is om zalig te worden.
In de Psalmen vindt gij Gods wonderwerken en oordelen, die Hij beide in het troosten en verlossen van Zijn kinderen en in het straffen en plagen der goddelozen bewezen heeft. Daarin vindt gij hoe God door Zijn voorzienigheid hemel en aarde, alle schepselen, maar inzonderheid Zijn kerk regeert en bewaart. En met wèlke wederwaardigheden gij ook beladen zijt, daar vindt gij troost en medicijn:

Heer! wijs mij toch Uwe wegen,
Die Gij wilt dat ik zal gaan;
Tot dezelve maak genegen
Mij, en doe mij die verstaan.
Leer en stier mij naar Uw woord,
In Uwe waarheid geprezen,
Gij zijt mijn hulp; dies nu voort
Wacht ik op U in dit wezen. (Psalm 25 : 2)

Als een hert gejaagd, o Heere,
Dat verse water begeert,
Alzo dorst mijn ziel ook zere
Naar U mijn God hoog geëerd,
En spreekt bij haar met geklag:
O Heer! wanneer komt die dag,
Dat ik toch bij U zal wezen,
En zien Uw aanschijn geprezen? (Psalm 42 :1)

De hoogste volkomenheid des mensen, zolang hij hier op aarde leeft, is gelegen in de oprechte bekentenis van zijn onvolkomenheid. God begeert verslagen, bekommerde en benauwde harten, die hun armoede, behoeftigheid en krankheid gevoelen; opdat Hij die met de rijkdom van Zijn genade in Jezus Christus door de werking van Zijn Heilige Geest vertroost, verkwikt, rijk maakt en geneest. Ik dank God dat ik niet alleen een goed geweten heb, maar dat er niemand in de ganse Nederlanden is, die mij in het geringste weet te bestraffen om wille van mijn leer of leven.’

.