Home Contact PETRUS DATHEEN STICHTING

Datheen en de (oud) gereformeerde gemeenten (in Nederland)

Deze lezing is gehouden op de zangavond d.d. 2 juni 2007 en is ook als pdf-bestand te downloaden

Wanneer men wordt uitgenodigd op een Datheenavond het woord te voeren, dan is het meest voor de hand liggende iets te vertellen over het leven van Petrus Datheen en de totstandkoming van zijn psalmberijming. Toch wil ik hierop vanavond nauwelijks ingaan en slechts enkele zaken aanstippen.

Petrus Dathenus en zijn psalmberijming
In 1561 was onder leiding van Johannes Calvijn in Geneve een psalmboek uitgekomen met daarin een berijming van alle 150 psalmen en enkele bijbelse gezangen. Vanaf de eerste uitgave van enkele psalmen in 1539 was hieraan jarenlang gewerkt. De dichters Clement Marot en Theodorus Beza verleenden hun medewerking naast muziekmeesters zoals Louis Bourgeois.
In diezelfde periode waren in de Zuidelijke Nederlanden vele ondergrondse calvinistische gemeenten ontstaan, die bediend werden door predikanten als Guido de Bres, Petrus Datheen, Pierre de la Grange en anderen. Datheen was in zijn jonge jaren monnik geweest, maar hij was door de Heere krachtdadig bekeerd door middel van het geloofsgetuigenis dat een martelaar op de brandstapel gaf. Eenmaal calvinistisch predikant geworden, moest hij wegens levensgevaar verschillende keren ons land ontvluchten, onder andere naar Londen en het gereformeerd keurvorstendom de Palts, waar hij hofprediker is geweest.
Tijdens de periode in de Palts heeft hij het Franse psalmboek uit Geneve voor de ondergrondse kerken in Nederland vertaald. Het verscheen in 1566, dus welgeteld slechts vijf jaar na het psalmboek van Calvijn. Datheen voegde er een vertaling van de Heidelbergse Catechismus en de liturgische formulieren aan toe, zodat hij de jonge kerk in ons land zo ongeveer het gehele kerkboek heeft geschonken. De betekenis van Datheen voor de opbloei van de Reformatie is dan ook nauwelijks te overschatten. Zijn psalmen zijn door de martelaren op de brandstapels aangeheven, door verschillende synoden waaronder de bekende Dordtse Synode bekrachtigd en in de kerken van ons land tot 1773 toe gezongen.

Honderd jaar na de Vereniging van 1907
De reden waarom ik verder niet zal ingaan op de persoon van Petrus Datheen, is dat ik wil aansluiten bij de actualiteit van dit ogenblik. Het is namelijk over enkele dagen precies honderd jaar geleden dat in Middelburg een belangrijke vergadering werd gehouden. Op 4 en 5 juni van het jaar 1907 kwamen in de Zeeuwse hoofdstad de Ledeboeriaanse gemeenten in hun jaarlijkse ‘Algemene Vergadering’ bijeen. De kring van deze gemeenten was rond 1840 als een soort zijtak van de Afscheiding in ons land ontstaan. Tijdens deze vergadering waren ook twee vertegenwoordigers van de Kruisgemeenten aanwezig, namelijk de jonge ds. G.H. Kersten uit Rotterdam en ds. A. Janse uit Barneveld. Dit kerkverband was rechtstreeks uit de Afscheiding voortgekomen. Het bestond uit een aantal gemeenten die bij de koning geen vrijheid wilden aanvragen, omdat ze om te mogen voortbestaan de naam ‘gereformeerd’ moesten loslaten. De vergadering van de Ledeboerianen nam onder voorzitterschap van ds. L. Boone een historisch zeer belangrijk besluit: men sprak zich uit te willen verenigen met de Kruisgemeenten. De weg naar het nieuwe kerkverband der Gereformeerde Gemeenten (in Nederland) lag daarmee open.Vaak wordt de eerste gezamenlijke synode van beide kerkverbanden op 9 en 10 oktober in de kerk aan de Boezemsingel te Rotterdam als startpunt van de ‘Vereniging’ gezien, maar het eigenlijke besluit daartoe werd reeds in juni in Middelburg genomen.

Al jarenlang werd de wenselijkheid van vereniging aangevoeld en werden over en weer besprekingen gevoerd. Zelfs beriep men elkaars predikanten, die (zoals ds. H. Roelofsen en ds. J.R. van Oort) na het aannemen van een beroep van kerkverband wisselden. Toch liep een daadwerkelijk samengaan telkens weer op niets uit.
Hiervoor zijn verschillende oorzaken te noemen. We willen nu alleen ingaan op het feit dat men in de gemeenten die ‘in de lijn van ds. Ledeboer’ stonden, erg gehecht was aan het dragen van het oude ambtsgewaad (dus niet de domineesjas uit de Afscheiding) en het zingen van de psalmen uit de berijming van Petrus Datheen.

Standpunt van de Kruisgemeenten
De Kruisgemeenten accepteerden de psalmberijming van 1773. Hierin kwamen zij overeen met de andere gemeenten die uit de Afscheiding van 1834 voortkwamen. Ds. W.W. Smitt, één van de leidinggevende Kruisgezinde predikanten, heeft het standpunt hierover verwoord in zijn boekje Waar openbaart zich de Gereformeerde Kerk in Nederland? Geschreven in de vorm van een samenspraak tussen de gefingeerde personen Vroomhart, Ten Dal en Berghuis.
We lezen over de Ledeboeriaanse gemeenten de volgende passage:

Vroomhart: Wij hebben nog nimmer beproefd om met die gemeenten tot een vereniging te geraken. Zover mij echter bekend is, zijn er hoegenaamd geen verschillen, noch in leer, noch in kerkelijk standpunt tussen beide; alleen is er dit onderscheid, dat men in gemeenten gebruikt voor het kerkelijk gezang, de Psalmen van Petrus Dathenus, en wij zingen de nieuwe berijming, welke door de Gereformeerde Kerk in Nederland in het jaar 1773 is aangenomen; doch dit is onzes inziens geen wezenlijk verschil, een vereniging zou daarom zeer wel tot stand kunnen komen, want ik houd dit stuk voor een middelmatige zaak, welke men in de vrijheid der gemeenten kan laten.
Ten Dal: Waarom zingt gijlieden de oude Psalmen niet?
Vroomhart: 1e Omdat de nieuwe Psalmen zowel Gereformeerd zijn als de oude berijming; 2e Omdat de nieuwe berijming ons (over het algemeen) de tekst wel zo nauwkeurig in de dichtmaat teruggeeft; 3e Omdat wij aan dezelve gewoon zijn; 4e Omdat de dichtmaat vloeiender is; 5e Omdat de Heere Zijn kinderen zowel zegent en vertroost onder het gebruik van de nieuwe als oude berijming.
Berghuis: Maar welke redenen geven die broeders dan op, voor het gebruik der oude, boven de nieuwe berijming?
Vroomhart: Zij zeggen: 1e Dat zij Gereformeerder zijn, en ten 2e Dat de innerlijke zielsgestalten en bevindingen, daarin klaarder en krachtiger naar het leven en het gemoedsbestaan van Gods volk uitgedrukt zijn.
Ten Dal: Vindt gij dat ook zo, Vroomhart?
Vroomhart: Neen broeder, over het algemeen kan ik dat niet vinden.

Het standpunt van de Ledeboerianen
Binnen de Ledeboeriaanse gemeenten werd over deze zaken geheel anders gedacht. Zij wezen de berijming van 1773 af en zij stonden hierin in een zekere traditie. Reeds vanaf het moment van invoering was er tegenkanting tegen deze berijming geweest. Zo ontstond er in de kerkdiensten van Maassluis beroering, omdat een groep mensen de oude psalmen dwars door de nieuwe bleven heen zingen. Ook beriepen de Ledeboerianen zich graag op ds. Van der Groe. Deze had in zijn preken stelling genomen tegen 1773 en het opgenomen voor Datheen. Hij zei dat men door staatsdwang de gouden vaten uit het huis Gods had weggenomen om er zilveren voor in de plaats te geven.. Hij vond de nieuwe psalmen weliswaar luchtiger van toon, sierlijker in vorm en hoogdravender van stijl, maar God had de oude psalmen de eer aangedaan, dat zij in de vuurvlammen van de vervolging waren beproefd en in het bloed der martelaren roodgeverfd.
Toch won de berijming van 1773 terrein en deze werd aan het begin van de 19e eeuw in vrijwel alle Hervormde gemeenten gezongen. Alleen op het eiland Walcheren bleef het verzet smeulend. Rond 1820 schreven twee boeren, Kornelis de Korte uit Mariekerke en Lourens Ingelse uit Oranjepolder, dat er nog een overblijfsel werd gevonden naar de verkiezing Gods, die niet alleen mondbelijders maar door waarachtige bekering echte belijders van de ware godsdienst waren. Deze namen met de nieuwe berijming geen genoegen en protesteerden daartegen voor God.
Twintig jaar later, in de tijd van de Afscheiding, ontstonden overal in Zeeland gemeenten door de arbeid van ds. Huibert Jacobus Budding. Het was een roerige tijd met uiteenjagen van kerkdiensten, oplegging van boete en zelfs gevangenneming van de predikant. Het zal niemand verbazen dat al die gemeenten Datheen herinvoerden om daarmee de breuk met de Hervormde Kerk te onderstrepen. Budding ijverde zeer voor de berijming van Datheen en hij bewerkte ook ds. Ledeboer, die tijdens Buddings gevangenschap de Zeeuwse gemeenten kwam bedienen, voor Datheen te kiezen, hoewel deze die psalmen eerder nooit gezongen had. En hij vond gehoor, want voor Ledeboer werd het zingen van Datheen het bewijs voor een volkomen terugkeer tot de leer en de kerkorganisatie van de Dordtse Synode. Zijn woorden waren: ‘Keren wij terug, keert geheel terug’ of zoals in een van zijn gedichten: ‘Geef ons het oude lied, vergeet ons, Heere, niet!.’
Zo werd het zingen van Datheen een belangrijk kenmerk van de Ledeboeriaanse gemeenten, ook in later tijd onder de bediening van de predikanten David Janse, Pieter Van Dijke, Daniël Bakker en in de tijd van de vereniging van 1907 ds. Beversluis en ds.Boone. Bekend zijn de woorden van ds. David Janse, die de band tussen de gereformeerde leer en de psalmen van Datheen in de vaderlandse kerk een huwelijksverbond noemde, in 1580 gesloten, in 1618-1619 in Dordt bevestigd en in 1773 gruwelijk geschonden, omdat men de wettige vrouw (Datheen) uitdreef en een vreemde in de plaats stelde. Het is te begrijpen, dat samensprekingen tussen Ledeboerianen en andere gemeenten steeds op niets uitliepen, omdat men het zingen van Datheen als een bewijs van echtheid en zuiverheid in de leer beschouwde met uitsluiting van een andere visie daarop.

Toch tot Vereniging besloten
Men vraagt zich af, hoe het in 1907 toch tot een vereniging met de Kruisgemeenten heeft kunnen komen. Dit heeft alles te maken met het milde standpunt dat de Kruisgemeenten over de psalmberijming aannamen. Op hun vergadering van 23 mei 1907 in Rotterdam besloten de Kruisgemeenten de Ledeboerianen een tegemoetkomende brief te sturen. Zij wisten dat die op 4 en 5 juni zouden vergaderen, en zij verzochten een afvaardiging, bestaande uit ds. Janse en ds. Kersten, de brief te laten toelichten.
De brief begint met de woorden:
Waarde broeders, Des Heeren zegen zij u toegebeden.
De Algemene vergadering der Gereformeerde Gemeenten ‘onder ’t Kruis’, saamgekomen 23 mei 1907 te Rotterdam, heeft uit haar midden een commissie benoemd, voor welke commissie de vergadering eerbiediglijk aan u, vergaderde broeders, toelating verzoekt tot uw samenkomst.
Over de psalmberijming staat in de brief het volgende:
Overwegende, dat het grootste bezwaar tot vereniging van uw zijde bestaat in de bij ons gebruikte psalmberijming, wensen wij van onze zijde zoveel doenlijk is, die hinderplaal weg te nemen, nl. door de psalmberijming van Datheen in alle classe-vergaderingen of synodale bijeenkomsten te gebruiken, opdat geen der broeders uit uw kring in hun gemoed zouden bezwaard worden. Bovendien zullen onze leraars, predikende in uw kerken, volgaarne gebruik maken van de oude psalmberijming, terwijl uw leraars dienstdoende in onze gemeenten, volkomenlijk de vrijheid verleend wordt, de oude berijming op de kansel te gebruiken.
Deze brief en de opstelling van de afgevaardigden op de vergadering van 4 en 5 juni hebben hun uitwerking niet gemist. Toen het tot stemming over het besluit tot verenigen aankwam, bleek een ieder voor te zijn, zelfs ds. Boone, de voorzitter van de vergadering, van wie men dit zomaar niet had verwacht.
Deze lijn werd ook vastgehouden op de eerste synode van de verenigde kerkverbanden, die op 9 en 10 oktober in Rotterdam bijeenkwam. In de artikelen 8, 9 en 10 van de bijlage is de kwestie van de te zingen psalmberijming in heldere bewoording neergelegd.

Ds. Boone apart
Tijdens deze vergadering werd duidelijk, dat ds. Boone uiteindelijk toch niet met de Vereniging wenste mee te gaan. Dit was een enorme teleurstelling. Er werd een kort briefje van hem voorgelezen met de volgende inhoud:
De Heer zij met ulieden,
Heden schrijf ik u deze letteren, daar ik niet op de vergadering zal zijn, is niet omdat ik ulieden ontken; volstrekt niet, ik heb tegen geen een leraar iets. Maar ik wensch bij het oude van den godzaligen Ds. Ledeboer en den goedzaligen ds. Van Dijke en den godzaligen ds. Bakker te blijven; bij al haar gewoonten. Zoo ik niet kan meegaan in de vereniging. Of ik zoo bepaald wierd, dat wij nu die eerwaarde Leeraars, die goed en bloed als ’t ware opgeofferd hebben, om die te verlaten. Neen, dat kan ik niet, dus geen haat, geen nijd heb ik niet. Na groete, Uw vriend en Broeder,
L.Boone
Het vervolg van de geschiedenis zal wellicht bekend zijn. Na twee maanden, op 3 december 1907, heeft ds. Boone in Waddinxveen het kerkverband van de Oud-Gereformeerde Gemeenten gesticht. Binnen deze gemeenten werd dwingend vastgehouden aan het oude ambtsgewaad en de berijming van Datheen.

Na honderd jaar
Hoe is de situatie nu we honderd jaar verder zijn?
In de Gereformeerde Gemeenten en de Gereformeerde Gemeenten in Nederland is het zingen van Datheen tijdens de classisvergaderingen en synodebijeenkomsten in onbruik geraakt. Dus wat men in Rotterdam daarover besloot, geldt niet meer. Na de Tweede Wereldoorlog zijn de meeste Zeeuwse gemeenten van de Gereformeerde Gemeenten overgestapt op de berijming van 1773. Binnen de Gereformeerde Gemeenten in Nederland wordt Datheen in Zeeland nog steeds wel gezongen. En de Oud-Gereformeerde Gemeenten? Inmiddels geldt voor hen het uitgangspunt inzake het ambtsgewaad en de psalmberijming ook niet meer. Ds. Blaak was de laatste die geen domineesjas droeg en door bijvoorbeeld het samengaan van de Federatie van Oud Gereformeerde gemeenten in 1948 zijn er heel wat gemeenten binnen het kerkverband die Datheen niet zingen. Wat betreft zou de vereniging na honderd jaar dus alsnog kunnen plaatsvinden.

Standpuntbepaling
Het doel van de Datheenstichting is de herinnering aan de eerste psalmberijming in ons land levend te houden en er blijvend kennis van te nemen. Dit zal men doen vanwege de geestelijke waarde en de uitingen van persoonlijke godsvrucht die er in Datheen te vinden zijn en niet met het oog op een mogelijke herinvoering.
Inderdaad slaat Datheen soms een meer persoonlijke toon aan dan de berijming van 1773, die in veel gevallen groepswerk is.
Prachtig is bijvoorbeeld het vers uit psalm 42:

Al de grote waterstromen
Zijn Heer’ over mij gegaan
En mij over ’t hoofd gekomen,
Maar Gij hebt mij bijgestaan.

Bekend zijn ook de regels uit psalm 138:

Als ik door angst en tegenspoed,
Ben ik kleinmoed,
Gij mij verkwikket.

En vooral de regels aan het slot van ditzelfde couplet:

Gij zult mijn kruis eindigen hier,
Want goedertier
Zijt Gij gestadig.
Het werk Uwer handen zult Gij
Volvoeren vrij
O Heer’ genadig.

Deze voorbeelden zouden gemakkelijk uit te breiden zijn. Daardoor is het ook te begrijpen, dat de Ledeboerianen aan de berijming gehecht waren. Veel zinswendingen waren voor hen doorleefde geloofszaken geworden, waardoor de berijming in principe als onvervangbaar werd gezien.
Voor een mogelijke herinvoering staat Datheen over het algemeen toch te ver bij onze huidige taal vandaan en vertoont de berijming te veel dichterlijke zwakheden. Zoals u ziet hebben we vanavond over ‘pofhansen’ (hoogmoedigen) moeten zingen en dit voorbeeld zou met vele verouderde, in onze ogen soms lachwekkende woorden uit te breiden zijn.
De dichterlijke zwakheden bij Datheen zijn van tweeërlei aard.
In de eerste plaats de vele stoplappen. Hier bedoelen we vaste woordcombinaties aan het eind van de dichtregels mee om het rijm gemakkelijker te laten verlopen. We kunnen denken aan woorden als: niet klein-zeer rein, eenpaar-voorwaar, alleine-in ’t gemeine, bekwame-tesame, zoet-zeer goed en klaar-gaar (in de betekenis van geheel). Veel van deze woorden hebben niet zo’n zinvolle relatie met het zinsverband, zodat het woord stoplap wel op zijn plaats is.
In de tweede plaats zijn Datheens psalmen niet in de vaste maat en overeenkomstig het ritme van de woorden geschreven. De zanger krijgt constant het gevoel, dat de dichtregels stokken, omdat men accenten legt op woorddelen die normaal gesproken geen klemtoon krijgen. De oorzaak ligt in het feit dat Datheen is uitgegaan van het aantal muziektonen (en daarmee van het aantal lettergrepen per regel) en niet van het natuurlijk ritme dat taal nu eenmaal heeft.

Het zou oneerlijk zijn, vanavond alleen kritische uitlatingen te doen over de psalmberijming van Datheen. Ook bij de psalmen van 1773 zijn kanttekeningen te plaatsen.
De woordkeus staat ook daarin soms ver bij ons vandaan. Denk maar eens aan woorden als: euvelmoed, muitgespan, ongeneugt, samenrotten, plengen, hovaardij, outer, logentaal, onderzaat, erlangen en slechten (in de betekenis van eenvoudige mensen). In dichterlijk opzicht zijn de vele samengetrokken woorden als voen, woen, treen, genegenheen, ontvaan ook niet fraai te noemen. Maar tegen deze dingen richtte de kritiek van de Ledeboerianen zich niet. Zij vonden de nieuwe psalmbundel onvoldoende gereformeerd, teveel gericht op verdraagzaamheid, braafheid en vernieuwing. Geheel ongelijk hadden zij daarin niet, want de berijming van 1773 vertoont onmiskenbaar invloeden van de Verlichting en het optimistisch mensbeeld dat daarin opgeld deed. In sommige verzen wordt sterk de nadruk gelegd op de deugd in plaats van op de godsvrucht die vrucht van genade is. Denk aan de mensen uit psalm 1 die oprecht en rein van zeden met vaste gang het pad der deugd betreden. Ook was men in de 18e eeuw zo verlicht, dat men zich tolerant ten opzichte van andere godsdiensten opstelde en niet op een bijbelse wijze sprak over God en Heere, maar op een indirecte manier over Opperwezen, Oppermajesteit, de Almachtige, de Algoede. Deze modewoorden uit die tijd komen veelvuldig in de berijming van 1773 voor.
Zijn dit voldoende redenen om te pleiten voor vervanging van 1773? Ook hier zullen we erop stuiten, dat veel passages voor de gebruikers van nu ten enenmale onvervangbaar zijn. Is het niet zo, dat de woordkeus uit menig vers tevens de inhoud van veel geloofszaken is gaan uitmaken? Woorden zijn geen woorden gebleven, maar zijn zaken geworden. Zondekennis wordt aangeduid met ’k Bekend’ o Heer’ aan U oprecht mijn zonden’ en dat ‘na ernstig overleg’, het in eigen waarneming verloren gaan wordt aangeduid als het beleven van een ‘dodelijkst tijdsgewricht’ en het sterven wordt een ‘dan ga ik op tot Gods altaren’. Goed beschouwd zijn dit allemaal uitdrukkingen die letterlijk niet zo in de Bijbel zijn terug te vinden, maar die op grond van Gods Woord wel als geloofszaken worden beleefd.
Daarom lijkt het me in de eerste plaats niet wenselijk om zomaar uit te kijken naar een nieuwe berijming. In de tweede plaats lijkt het me, gezien de enorme verdeeldheid waarin de gereformeerde gezindte terecht is gekomen, ook niet realistisch.
Het is mijns inziens daarom beter op avonden als deze bij elkaar te komen en met elkaar psalmen te zingen, waarbij we ons wat mij betreft niet behoeven te beperken tot de berijming van Datheen. Laten we daarnaast gerust de psalmen van Marnix van St.-Aldegonde, Jacobus Revius en anderen ter hand nemen.

.