| Home | Contact | PETRUS DATHEEN STICHTING |
Zaterdag 2 juni 2007; aanvang 19.30 uur
Zie ook de andere samenzangavonden
Welkom
Ps. 15: 1, 3 en 5
Wie is ‘t, die zal wonen eenpaar
In Uw lieflijke tenten, Heere?
Wie zal toch verkeren hiernaar,
Door Uw goedheid, zonder gevaar,
Op Uwen heil’gen berg met ere?
Die geen achterklap spreekt onvroed,
Tot zijnes naasten smaad en schande;
Die tegen hem ook niet misdoet,
Noch mishandelt, maar hem behoedt
Voor oneere menigerhande.
Die tot woeker niet geeft zijn geld,
En geen gaven ooit heeft geprezen,
Om ’t recht des vromen met geweld
Te breken. Die zo is gesteld,
Zal voorwaar gelukzalig wezen.
Opening en meditatie door ouderling H. Roelofsen
Ps. 25: 1, en 7
Mijn hart hef ik tot U, Heere!
Mijn hoop alleen op U staat
Behoed mij toch voor onere,
Die mij wenst mijn vijand kwaad.
Zij werden, Heer, zo ’t betaamt,
Niet schaamrood, die op U bouwen;
Maar zij zullen zijn beschaamd,
Die de vromen hier benauwen.
De verborgenheid des Heeren
Is den mens geopenbaard,
Die God vreest en houdt in eren,
En Zijn verbond wel bewaart,
Mijn hart ende mijn gemoed
Op den Heer hen alleen zetten;
Want Hij maakt vrij mijnen voet
Uit all’ der godd’lozen netten.
Ps. 49: 4 en 5
Toch is haren lust en haar spreken al,
Dat haar huis eeuwiglijk vast blijven zal;
En haar plaatsen, die naar hen zijn genaamd,
Kindskind’ren erven zullen onbeschaamd.
Maar of ze schoon hier hebben heerlijkheid,
Ze behouden die niet in eeuwigheid,
Maar de pofhansen, geacht groot van staten,
Moeten als ’t vee daarvan, en alles laten.
Niet dan ijdelheid en is al haar doen;
Nochtans van hare kind’ren kloek en koen,
Werd dit geprezen steeds met groten vliet;
Zij doen zulks na, nochtans is ’t min dan niet.
Met hopen varen zij ter helle breed
En worden doorknaagd van den dood zeer wreed;
Maar die vroom zijn van harten en van zinnen,
Zullen heersen en de booz’ overwinnen.
Ps. 52 : 4, 5 en 7 (collecte)
Gij bozen, gij wordt uitgehouwen
Tot den wortel meteen;
’t Welk de vromen zullen aanschouwen,
Met een vreze niet kleen,
En lachende met Uwen val,
Zullen zij spreken al:
Dit is hij, die niet heeft verkoren
God tot zijn hulp allein,
Maar op zijn rijkdommen al voren
Steld’ hij zijn hart onrein;
Hij heeft hem gesterkt met boosheid
En ongerechtigheid.
Dan zal ik voor deez’ wrake, Heere,
U steeds prijzen voortaan;
En op U, vol van macht en ere,
Gronden en blijven staan;
Want Uw goedheid veel goeds doen zal
Uwen volk overal.
Lezing door de heer E. Kooijmans
Deze lezing is integraal via deze website beschikbaar.
Psalm 79: 5 en 7
Help ons, Heer, Gij zijt onz’ toevlucht alleine;
Opdat geëerd word’ Uwen Name reine;
Verlos ons en wil ons t’ zamen vergeven
Onz’ zonden, door Uw goedheid hoog verheven.
Dat men tot Uwen spot
Niet zegg’: Waar is haar God?
De bozen wil benauwen,
En wraak overal doet
Van Uwer knechten bloed,
Dat wij ’t mogen aanschouwen.
Dan zullen wij, die schapen Uwer weiden
En Uw volk zijn, met blijdschap groot uitbreiden
Uwes Naams eer; ook werden Uwe krachten
Altijd verteld, van geslacht tot geslachten.
Ps. 106: 1 en 3
Dankt God, want Hij is vriendelijk,
En Zijn goedheid duurt eeuwiglijk
Waar is hij, die toch kan uitspreken
Des Heeren wonderwerken al?
En Zijn groot’daden, klaar gebleken,
Genoegzaam kunnen prijzen zal?
Dat wij zien en horen gemein
’t Heil Uwer uitverkoor’nen rein;
En ons daarin mogen verblijden.
Dat het Uwen volke welgaat;
Dat ik mag roemen t‘ allen tijden
Met Uw erfdeel in dezen staat.
Ps. 113: 2 en 3
Van der zonnenopgang zeer klaar
Tot den ondergang moet eenpaar
Geloofd wezen Uwe Naam, Heere!
Die over alle volken wreed
Heerset, en zo wijd en zo breed
Als de hemel is, strekt Zijn ere.
Wie is onzen Heere gelijk,
Die in Zijn hemels koninkrijk
Zo verheven is met eerwaarde?
En van daar Zijn ogen afslaat,
Ziende hoe ’t alleszins toegaat
In den hemel en ook op d’ aarde?
Dankwoord en mededelingen
Ps. 118: 7 en 14
God zeer sterk is mijn kracht alleine
Mijn roem ende mijn ere groot.
Ende mijn lofzang in ’t gemeine
Mijn Zaligmaker in den nood.
De vroom’ in hare hutten zingen,
Zijnde verblijd en verheugd zeer,
Van Uw hand sterk, die alle dingen
Krachtiglijk overwint, o Heer.
Gij zijt mijn God, Dien ik doe ere
Met lofzangen van zoeten toon;
U alleen aanbid ik, o Heere;
En prijs U steeds met psalmen schoon.
Danket den Heer zeer hoog geprezen,
Want groot is Zijn vriendelijkheid;
Zijn goedertierenheid zal wezen
Bestendig in der eeuwigheid.
Sluiting
Ps. 136: 4, 5, 25 en 26
Prijst Hem, die wonderen doet
Door Zijn kracht in overvloed;
Want Zijn grote goedigheid
Geduurt in der eeuwigheid.
Die den hemels gemaakt heeft,
En een heerlijk sieraad geeft;
Want Zijn grote goedigheid
Geduurt in der eeuwigheid.
Hij is ‘t, Die de spijze geeft,
Alles wat ter wereld leeft;
Want Zijn grote goedigheid
Geduurt in der eeuwigheid.
Looft den Name Gods gewis,
Die een Heer des hemels is;
Want Zijn grote goedigheid
Geduurt in der eeuwigheid.