| Home | Contact | PETRUS DATHEEN STICHTING |
Zaterdag 29 oktober 2011; aanvang 19.00 uur
Zie ook de andere samenzangavonden
Welkom
Psalm 95: 1 en 2
Komt, laat ons blij zijn in den Heer,
En met zang verbreiden Zijn eer,
Hij is ons troost en heil alleine;
Laat ons met dankzegginge gaan
Voor Zijn aangezicht, en voortaan
Hem zingen met vreugd psalmen reine.
Want Hij een groot God is geacht,
Een Koning van veel groter macht
Dan de goden zijn; want 't aardrijke
Heeft Hij in Zijn hand, welks vrucht al
Hem toebehoort, Die berg en dal
Steeds voortbrengen beide gelijke.
Opening en meditatie
Psalm 25: 2 en 7
Heer! wijs mij toch Uwe wegen,
Die Gij wilt dat ik zal gaan;
Tot dezelve maak genegen
Mij, en doe mij die verstaan.
Leer en stier mij naar Uw woord,
In Uwe waarheid geprezen,
Gij zijt mijn hulp; dies nu voort
Wacht ik op U in dit wezen.
De verborgenheid des Heeren
Is den mens geopenbaard,
Die God vreest en houdt in eren,
En Zijn verbond wel bewaart,
Mijn hart ende mijn gemoed
Op den Heer hen alleen zetten;
Want Hij maakt vrij mijnen voet
Uit all’ der godd’lozen netten.
Psalm 33: 6 en 7
Maar de voorzichtigheid des Heeren
Doet Zijn voornemen vast bestaan;
Dat Hij eens besluit t’ Zijner ere
Zal zonder hindering voortgaan.
Welzalig moet wezen
’t Volk, dat God met dezen
Houdt voor zijnen Heer,
Welzalig al voren,
Zijn ze, die verkoren
Zijn tot Godes eer.
God ziet nederwaarts vroeg en spade
Uit den hemel in de wer’ld groot.
De mensen al slaat Hij wel gade,
Ze zijn all’ voor Zijn ogen bloot,
God uit Zijnen trone,
Die vast is en schone,
Met vlijt ook acht geeft
Op den mens ellendig,
En wat hier behendig
Hem beweegt en leeft.
Psalm 42: 1, 3 en 5
Als een hert gejaagd, o Heere,
Dat versche water begeert,
Alzoo dorst mijn ziel ook zeere
Naar u mijn God hoog geëerd,
En spreekt bij haar met geklag:
O Heer! wanneer komt die dag,
Dat ik toch bij U zal wezen,
En zien Uw aanschijn geprezen?
Waarom wilt gij u zo kwellen
En beroerd zijn, o ziel mijn?
Wil gans uw hoop op God stellen,
Van u zal Hij gedankt zijn,
Als Hij door Zijn aanschijn klaar,
Zal wegnemen uw kruis zwaar
Dies, o God, van mij niet wijket,
Want mijn hart mij gansch bezwijket.
Al de groote waterstromen
Zijn, Heer, over mij gegaan,
En mij over ’t hoofd gekomen;
Maar Gij hebt mij bijgestaan.
’s Daags toont Gij mij Uw goedheid
En ’s nachts Uw barmhartigheid;
Dies zal ik U Heer belijden;
Gij hoedt mijn ziel t’ allen tijden.
Lezing/appelwoord door de heer W. Oudijn
Psalm 84: 4, 5 en 6 (collecte)
Zij zullen gaan van deugd tot deugd,
Totdat z’in Zion al met vreugd
Komen en daar den Heer aanschouwen.
O Heer der heirkrachten zeer schoon,
Uit den hoogen hemelschen troon
Hoor mijn gebed in dit benauwen;
Gij Jacobs God mij toch verhoort,
Verneem mijn smeeken naar Uw woord.
Heer! Tot wien wij in den nood vlien,
Wil Uwen gezalfden aanzien;
Want veel beter is slechts één ure
In Uw huis, dan elders, dat ’s klaar
Duizend zijn; beter is ook daar
Een wachter te zijn aan de deure.
Dan ’t is in de paleizen zoet
Der godloozen met overvloed
Want onz’ God is vriend’lijk en goed,
Een zon en schild tot ons behoed,
Die ons geeft eer ende genade;
Die den vromen in geenen nood
Verlaten zal tot in den dood.
Geen ding ontbreekt hem vroeg noch spade,
Zalig is hij, die op Hem bouwt,
En Hem van harte gansch vertrouwt.
Psalm 141: 1, 2 en 3
Ik roep U, Heer, aan in nood niet klein,
Haast U genadiglijk tot mij;
Open mij nu Uw oren vrij,
Dewijl ik roepe tot U allein.
Tot U klimme mijn gebed gemein,
Evenals van reukwerk zeer zoet;
Mijn handen gestrekt in ootmoed,
Ontvang als een spaad’ offer zeer rein.
Houd altijd o Heer, toe mijnen mond;
Regeer ook mijn lippen nu meer;
Dat niets kwaads tot Uwer oneer
Daaruit komme tot eniger stond.
Mededelingen en dankwoord
Psalm 46: 1 en 4
Als ons de nood overvalt krachtig,
Ons burgt en heil is God almachtig;
Zulks bevinden wij in den nood,
En hebben in Hem troost zeer groot.
Dies vrezen wij in genen dinge,
Al waar 't dat de wereld verginge,
En de bergen hen wierpen snel
In 't midden der zee diep en fel.
In zulke stormen ende baren
Is met ons de Heer' der heirscharen;
God Jakobs is ons een burcht vast
Tegen geweld en overlast;
Komt toch al, wilt zien en bemerken
Onzes Gods grote wonderwerken;
Die Hij hier op der aarde doet,
Naar Zijne grote wijsheid goed.
Sluiting
Psalm 118: 7 en 8
God zeer sterk is mijn kracht alleine.
Mijn roem ende mijn eere groot.
Ende mijn lofzang in ’t gemeine,
Mijn Zaligmaker in den nood.
De vroom”in hare hutten zingen,
Zijnde verblijd en verheugd zeer,
Van Uw hand sterk, die alle dingen
Krachtiglijk overwint, o Heer.
De sterke rechterhand des Heeren
Is zeer verhoogd tot dezer tijd,
En behoudt ’t veld met kracht en eere;
Zulks zingt dat volk zijnde verblijd.
Maakt u van hier al mijn vijanden.
Ik zal niet sterven noch vergaan,
Maar leven, en in alle landen
Van Gods weldaden doen vermaan.