Home Contact PETRUS DATHEEN STICHTING

Schier of hier

Terzijde

Wanneer de dominee in zijn preek iets aanhaalt van de 'de oude dichter', weten de meeste mensen wel, dat daarmee Datheen bedoeld wordt. Ook al zijn er nog maar weinig gemeenten, waar Datheens psalmen gezongen worden, toch blijft zijn berijming bekend bij velen. Men moet maar eens proberen, hoeveel regels van Datheen men toch kent.

  • 'De vreze Gods allein is zuiver ende rein en zal eeuwig bestaan.'
  • 'Ach, waar mag de genade des ouden tijds wezen, die Gij David toezeid naar Uw waarheid geprezen?'
  • 'Als een hert gejaagd, o Heere, dat verse water begeert, alzo dorst mijn ziel ook zere naar U, mijn God hoog geëerd.'
  • ''O Heer', wanneer komt die dag, dat ik toch bij U zal wezen, en zien Uw aanschijn geprezen?'
  • 'Uit hen zal altijd komen voort, om de nakomers te leren Uw Woord.'
  • 'Heer', wijs mij toch Uwe wegen, die Gij wilt dat ik zal gaan; tot dezelve maak genegen mij en doe mij die verstaan.'
  • 'Hij zal de armen en de klenen genadig zijn en goed.'
  • 'Uit de drek verhoogt Hij de arme' (Ps 113:4) staat er op de grafsteen van ds. Fraanje.

Datheens berijming spreekt zo recht uit het hart. Wie eenmaal wat aan de zestiende-eeuwse rijmtrant gewend is, merkt dat zij in wezen eenvoudig en ongekunsteld is. De oude rijm kan de zielspraktijk zo innig en levendig uitdrukken. Zo ook in Psalm 138:4, dat 12 oktober 2000 nog in De Wachter Sions stond afgedruk:

Als ik door angst en tegenspoed
Ben in kleinmoed,
Gij mij verkwikket;
Ook tegen mijn wreedste vij
Uw rechterhand
Mij hulp toeschikket.
Gij zult mijn kruis eindigen hier,
Want goedertier
Zijt Gij gestadig;
Het werk Uwer handen zult Gij
Volvoeren vrij,
O Heer' genadig.

Ook hier weer bekende regels, die veel in preken aangehaald worden: 'Gij zult mijn kruis eindigen hier, want goedertier zijt Gij gestadig.' Toch maakte een briefschrijver ons er opmerkzaam op, dat dit in de allereerste druk van Datheens berijming anders staat. Het scheelt maar twee letters. In Datheens eerste uitgave, uit het jaar 1566, luidt het laatste woordje van de zevende regel 'schier', in plaats van 'hier'. Er staan in die eerste druk veel zetfouten, waarschijnlijk door de haast. Datheen heeft ze in latere drukken verbeterd. Maar dat is hier toch waarschijnlijk niet het geval geweeest. Want in een druk uit 1585 die wij raadpleegden, staat nog steeds 'schier'.

Het woord past daar goed. Al kennen wij 'schier' nu alleen nog maar in de betekenis van 'bijna', vroeger had het ook de zin van 'snel, spoedig, weldra'. Beide betekenissen kunnen we in Datheens berijming vinden, 'bijna' in Psalm 119:28, 44, 70 en 'weldra' in Psalm 79:6 (in haren schoot wil schier, zevendubbel vergelden, de smaad ende de blaam) en 80:10.

Zou met het woord 'schier' dan dus de verwachting uitgesproken hebben, dat de Heere zijn kruis weldra zou eindigen. Het zou maar een verdrukking zijn van tien dagen. Dat is dan wel iets anders dan de gedachte, die men er nu in legt: 'hier, aan deze zijde van het graf'.
Wij zien geen reden om te ontkennen, dat 'schier' inderdaad Datheens oorspronkelijke bedoeling is geweest.

Aan de andere kant heeft 'hier' ook een respectabele geschiedenis. Met 'hier' worden deze psalmregels aangehaald door Smijtegelt in zijn preek over Lukas 16:25 in 'Een woord op zijn tijd', deel 1. Over het sterven van Lazarus uit de gelijkenis zegt Smijtegelt daar:'Nu houdt zijn wenen op. Nu werd aan hem vervuld: Gij zult mijn kruis eindigen hier, want goedertier zijt Gij gestadig. Daar werden nu de tranen van zijn ogen afgewist; zuchten, wenen, gekrijt was nu weggevloden; nu was hij bevrijd van alle druk,' enz. Dit boek van Smijtegelt verscheen in 1744. Nog veel ouder is een druk van Datheens Psalmen uit het jaar 1628 (we hebben maar enkele steekproeven genomen), waar ook al 'hier' staat.

Deze verandering (bewust of onbewust) van 'schier' in 'hier' moet dus al zeer vroeg zijn opgetreden, vóór 1628 en waarschijnlijk na 1585. Misschien zijn er lezers, die uit hun boekenschat nog kunnen helpen met nadere aanwijzingen. Hoe dat ook zij, algemeen is de gedachte geworden bij Psalm 138:4 van de oude dichter, dat het kruis van Gods kinderen hen wel mag drukken, maar niet eeuwig zal duren. Het zal hier eindigen. Hun kruis blijft voor de hemelpoort. Zie, om nog maar een voorbeeld te noemen, wat ds. G. van Reenen naar aanleiding van deze versregels schrijft in 'Sions betalende Borg', pag. 98 en 99.

Vandaar dan ook, dat de GBS bij herdruk van de Psalmen van Datheen maar niet terug zal keren tot het oorspronkelijke 'schier' in Psalm 138:4, hoewel dat zeker een goede zin heeft. Een bepaalde verandering kan door de eeuwen heen zo ingeburgerd zijn, dat zij burgerrecht verkregen heeft. Als Smijtegelt al zong 'Gij zult mijn kruis eindigen hier', waarom zouden wij daar nu dan een probleem van maken?

Misschien zal iemand vragen: Hoe komt het dat de oude en de nieuwe rijm hier zo totaal anders zijn? De onberijmde tekst is toch hetzelfde? Waar Datheen heeft: 'Gij zult mijn kruis eindigen schier, want goedertier zijt Gij gestadig', heeft de Statenberijming: 'De Heer' is zo getrouw als sterk; Hij zal Zijn werk voor mij volenden.' Dat lijkt toch geheel niet op elkaar?
Dat komt omdat Datheen de onberijmde tekst van Psalm 138 vers 8 waarschijnlijk iets anders gelezen heeft dan wij. Wij lezen daar: De HEERE zal het voor mij voleinden, met de kanttekening: 'te weten hetgeen Hij in mij begonnen heeft tegen mijn vijanden. Of: Zijn genade te mijwaarts, als Psalm 57:3.' Maar in de tijd van Datheen was de Statenvertaling er nog niet. In de Deux-Aes-bijbel staat: Ende de Heere sal des een eynde maken om mijnent wille. Dat lijkt dan meer te zien op de angst en de benauwdheid, waarvan de dichter sprak in het voorgaande vers. De Liesvelt-bijbel luidde niet anders. Beide vertalingen zijn een letterlijke overzetting van hoe Maarten Luther Psalm 138:8 vertaalde, 'Schier' past daar dan wel bij, als een geloofsuitspraak.

De Statenvertalers zijn hier echter Calvijn gevolgd, die in zijn bijbelverklaring zegt, dat het Hebreeuwse werkwoord op verschillende wijze verklaard kan worden, maar die dan toch kiest voor de uitleg zoals die ook in de Statenvertaling is te vinden. Niet: een einde maken aan het kruis, maar: het voleinden van het goede werk of de genade die de Heere begonnen is.

Wij merken nog op, dat Datheen het woord 'kruis' dikwijls gebruikt. In de berijming van 1773 komt het slechts eenmaal voor, en wel in de Avondzang. Waarschijnlijk wel omdat de Statenvertalers dit woord in de onberijmde Psalmen ook nergens gebruikt hebben. Datheen deed het echter wel, tientallen malen, terwijl het toch ook in de Liesveltbijbel en de Deux-Aes-bijbel niet voorkwam. Dat zal wel weer zijn omdat voor Datheen het leven onder het kruis werkelijkheid was. 'Op Zijn volk genomen acht, dat hier onder 't kruis versmacht' (102:11), dat was in Datheens tijd wel heel bijzonder waar, toen men voortdurend vluchten moest in direct gevaar des levens. Die met kruis zijn beladen, om harer zonden stank (107:9). Als Hij door Zijn aanschijn klaar (42:3). Zal wegnemen uw kruis zwaar. In 't kruis geeft Gij hun goede moed, zonder troost zij niet sterven (68:5). Datheen schreef zelfs 'kruis', als hij het woord dat hij in zijn Bijbel zag staan, gemakkelijk in zijn rijm had kunnen overnemen, zoals 'nood' in 34:9 en 'kwaad' in 35:12. Daarmee gaf hij de ellende en de nood waarin hij verkeerde een nieuwtestamentische verklaring. Door het woord 'kruis' te gebruiken, geeft hij aan, dat het een lijden en een verdrukking is om Christus' wil, achter Hem (zie Luk. 9:23; 14:27, met de kanttek.). Een bijbelvertaler mag zoiets niet doen, maar een dichter, een berijmer kan dat wel. Deze woordkeuze van Datheen laat de eenheid van Oude en Nieuwe Testament zien, Christus in de Psalmen.

Zo blijkt er achter een eenvoudige en bekende uitdrukking in Datheens berijming heel wat vast te zitten.

Sch.

Overgenomen uit De Wachter Sions, 9 nov. 2000.

Terug